In de 17e eeuw beweerde Christiaan Huygens als eerste dat het licht een golfverschijnsel is. Hiervoor pleitten de bij licht waargenomen verschijnselen interferentie en buiging. Dit werd tegengesproken door Isaac Newton, die stelde dat licht uit een stroom van snelle deeltjes bestaat. Dit leidde tot een felle discussie, die aanvankelijk werd beslecht in het voordeel van de deeltjestheorie. In de 19e eeuw werd duidelijk dat licht een elektromagnetisch golfverschijnsel is binnen een specifiek golflengtegebied, dankzij het experimentele werk van Thomas Young, Augustin Jean Fresnel en Heinrich Hertz en het theoretische werk van Lorentz. Het gedrag van licht kon verklaard worden door het oplossen van de Maxwellvergelijkingen die de basis vormen voor alle elektromagnetische verschijnselen. Met de opkomst (begin 20e eeuw) van de kwantummechanica werd er toch nog een deeltjeskarakter van het licht vastgesteld. Dit culmineerde in de ontwikkeling van de kwantumelektrodynamica die alle wisselwerkingen tussen geladen deeltjes onder uitwisseling van fotonen volledig en met zeer grote nauwkeurigheid beschrijft en voorspelt. Het is een synthese van de relativistische versie van de Maxwellvergelijkingen met de kwantummechanica.